Ex cathedra

Dit opiniestuk verscheen eerder in het tijdschrift Vorm & Leegte (Lente 2006). Het vormde een reactie op een bijdrage van Henk Barendregt aan de rubriek ‘Forum & Leegte’ in Vorm & Leegte (Winter 2005) over ‘juist spreken’.

De meest welwillende lezing van Henk Barendregts bijdrage aan ‘Forum & Leegte’ (Vorm & Leegte, Winter 2005) over ‘juist spreken’ en de vrijheid van meningsuiting zou zijn dat zijn opmerkingen niet moreel of ethisch van aard zijn, maar een louter formeel karakter hebben. Zijn betoog handelt echter over het dagelijks leven—ofwel de individuele omgang met de weerbarstige praktijk van de vrijheid van meningsuiting—en niet over een in de meditatieruimte gedacht universum.

Barendregt illustreert zijn boeddhistische visie immers met een concreet voorbeeld dat triest genoeg maar al te treffend is. Zijn duiding van de casus Meindert Tjoelker leidt tot de slotsom dat de uitroep ‘Kappen nou!’ niet juist was, omdat Meindert kennelijk de situatie heeft miskend en daardoor leed vermeerderde. Immers, Meindert werd doodgeschopt en dat kan nooit de bedoeling zijn geweest. Hoe deugdzaam ook, zijn opmerking kan daarom de toets van het ‘juist spreken’ niet doorstaan, oordeelt Barendregt.

Maar wat leert deze formeel onberispelijke redenering ons nu over de praktijk van de vrijheid van meningsuiting? Is er alleen sprake van juist spreken wanneer men geen leed vermeerdert? Is dit vooraf kenbaar? Voor wie? Barendregt immers meent dat juist spreken altijd van de context afhangt. Wie kent de gehele, of zelfs maar de relevante, context op het moment van spreken? Had Meindert moeten beseffen dat hij doodgeschopt kon worden voor hij zijn mond opendeed? Had hij, omdat hij daarmee geen rekening hield—tenzij hij een doodswens koesterde natuurlijk—zijn mond moeten houden?

Was zijn spreken volgens Barendregt misschien wel ‘juist’ geweest indien Meindert een doodswens had gekoesterd? Wat leren we hieruit? Dat we, formeel gesproken, altijd alles vooraf moeten weten? Kent Barendregt zelf eigenlijk de gehele of relevante context van zijn eigen uitspraken? Of is het, formeel gesproken, alleen achteraf mogelijk daarover een oordeel te vellen? Wat heeft men aan zulk ‘inzicht’?

Wie met een beroep op de vrijheid van meningsuiting Hitler, Stalin, Mao, Pol Pot of Saddam Hoessein had tegengesproken (‘Kappen nou!’) zou zeker leed hebben vermeerderd—is het daarom ‘juist’ dat vrijwel niemand dat deed? Wat moet een gewoon mens met die vaststelling? Beschouwt Barendregt het spreken van de verzetsstrijder misschien als moedig maar niettemin onjuist?

Welk handelingsperspectief biedt Barendregt de lezer nu eigenlijk? De meesten van ons leven in de tijd, niet daarbuiten. Met andere woorden, we denken, spreken en handelen in real time, als deel van een continuüm van ondoorgrondelijke oorzakelijkheden. Het is de tragiek van onze condition humaine dat de precieze uitwerking van ons gedrag volmaakt onzeker blijft. Zelfs een boeddha veroorzaakt leed. Zo bezien resten ons bij het spreken niets dan goede bedoelingen, zonder enige garantie op het beoogde effect.

Het gaat niet aan een ander de maat te nemen vanuit het volstrekt hypothetische a priori van de belijdende wereldverzaker, wiens kennis van iedere slechte afloop reeds besloten ligt in zijn onthechtheid zelf. Meindert liet spontaan zijn hart spreken. Zijn woorden waren dan misschien niet ‘juist’ maar wel oprecht, onschuldig zelfs. En precies deze onschuld wordt door Barendregts ex cathedra op doelloze, zinloze en heilloze wijze ter discussie gesteld. Zijn aanspraak op compassie in deze lijkt mij even academisch als voorbarig.

Laat mij dan Barendregt net zo gratuit en ongenaakbaar van repliek dienen, vrij naar Wittgenstein: ‘Van dat, waarover niet gezwegen kan worden, moet men spreken.’ Ondertussen hoop ik maar dat Meinderts ouders dit Winternummer nooit onder ogen zullen krijgen.