Klein verslag: Twee houten stoelen en een glas water

Wim Boevink

Het is de dertigste januari van 2008. Zeven uur in de avond. In een zaal van het Rubin Museum of Art in New York kijken een kleine driehonderd mensen, velen gehurkt op kleedjes op de grond, naar een podium waarop twee houten stoelen staan (ook op een kleed), een laag tafeltje met daarop twee microfoons en glazen water, en twee mannen die opkomen.

Ze zijn onopvallend—casual—gekleed. De een, in fleece trui en jeans, is de Nederlander Rob Hogendoorn, in het programma aangekondigd als mindscience scholar, en de ander is Lou Reed. Hij draagt een dun wit jack met capuchon en een zwartleren broek.

U kunt wat ik hier beschrijf zelf bekijken op YouTube, want sinds deze week staat die sessie in New York online, een 75 minuten durend gesprek over tai-chi, meditatie en muziek, ingekort tot 45 minuten. Een bijzondere sessie.

Het door de media gecolporteerde beeld van het humeurige, verveelde en moeilijke rock ’n rollgenie verdient bijstelling. Want voldeed Reed in de meeste interviews aan dat beeld, hier zat een andere Reed, een zachtmoedige, ernstige man die sprak over iets dat hem dierbaar was. Geluid.

Hij had juist een album afgeleverd dat ‘Hudson River Wind Meditations’ heet, waarin hij de ‘dagelijkse kakofonie’ verving door ‘nieuwe en geordende geluiden van een onvoorspelbare aard’. Ze dienden hem (en mogelijk ook anderen) ter ondersteuning bij zijn tai-chi en meditatieoefeningen, maar eigenlijk luisterde hij er thuis eindeloos naar. Net als ik nu, terwijl ik dit schrijf. Ik hoor geen melodie, geen toonsoort, maar alleen geluid, een geluid dat ik oceanisch zou willen noemen, met veel diepte en zwelling; het trilt en resoneert in je binnenste. Zou je het zichtbaar maken dan zou je een golvende lijn zien.

Ik mediteer niet, en voel een vaag ongemak en scepsis bij oosterse denkwijzen die bij ons tot new age verdampen. Maar Lou Reed is een van mijn helden, in wiens donker glanzende kleuren ik mijn adolescente gevoelens schilderde. You’re so vicious.

Lou Reed had zich overgegeven aan de leer van Mingyur Rinpoche, een jonge Tibetaanse monnik, aan wie hij, vertelde hij, zijn muziek had laten horen. Mingyur Rinpoche vond het mooi, tot Reeds onbeschrijfelijke geluk.

Laurie Anderson, performance kunstenaar en Lou Reeds echtgenote, heeft in Rolling Stone Reeds laatste momenten beschreven.

‘We waren thuis, en hoewel hij zeer verzwakt was, stond hij erop in het heldere ochtendlicht gebracht te worden. Als mediteerders hadden we ons hierop voorbereid—hoe de energie uit onze buik naar ons hart te bewegen en via ons hoofd te laten ontsnappen. Nooit zag ik zoveel betoverde verwondering als op het gezicht van Lou toen hij stierf. Zijn handen maakten de waterstroombeweging, de 21ste vorm van tai-chi. Zijn ogen stonden wijd open. Ik hield mijn armen om de mens die ik het meest in de wereld liefhad en sprak tot hem, terwijl hij stierf. Zijn hart stopte. Hij was niet bang.’

Dat was ontroerend om te lezen en ik voelde iets van die scepsis, teruggaand tot de oude Grieken, in mijzelf verzwakken.

Dagblad Trouw, 13 november 2013, p. 2