Dorje Shugden: Zien Tibetaanse geestelijken spoken?

Buddhism has crossed a boundary
of a nature entirely different
from any geographical,
linguistic, and cultural barriers
it has navigated historically.
Buddhism has entered a secular age,
and that’s not just new soil
—it’s a whole new ecosystem.

Linda Heuman, ‘What’s at Stake as the Dharma Goes Modern?’

 

Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw keert de veertiende Dalai Lama zich openlijk tegen de verering van Dorje Shugden, één van de godheden uit het Tibetaans boeddhistische pantheon. De controverse rondom Dorje Shugden heeft sindsdien niets aan actualiteit ingeboet. Westerse boeddhisten doen er goed aan hun eigen standpunt te bepalen.

Beschermer of demon?

Aanhangers van Dorje Shugden (ook wel: Dolgyal) vereren de godheid als volmaakt verlichte Boeddha. Ze zien in hem een toornige beschermer van de boeddhistische leer. Tegenstanders zien in Dorje Shugden een boze geest: een demonische kracht die verdeeldheid zaait. In hun ogen schaadt diens verering zowel het Tibetaanse volk, het boeddhisme als de Dalai Lama.

De kwestie loopt met name in de jaren 90 hoog op. Er vallen doden. Binnen de Tibetaanse boeddhistische gemeenschap—in Tibet en daarbuiten—zorgt de controverse nog steeds voor veel spanning. Tibetaans boeddhistische bekeerlingen in het Westen bezorgt de zaak meestal een ongemakkelijk gevoel. Ze lopen het liefst om het onderwerp heen, en maken daarbij zo’n wijde boog dat ze de meest basale kennis over de aard en achtergrond van het geschil missen.

Dit belet hen niet partij te kiezen. Uit loyaliteit richten bekeerlingen in het Westen zich meestal naar het oordeel van hun ‘eigen’ Tibetaanse stroming of hun ‘eigen’ Tibetaanse leraar. De breuklijnen die zich daarbij tussen boeddhistische bekeerlingen aftekenen, zijn in feite van Tibetaanse origine. Ze weerspiegelen zelden gedegen, kritisch onderzoek door westers boeddhisten zelf.

Bezoek Dalai Lama

Dat de Dorje Shugden kwestie nog actueel is, wordt duidelijk tijdens de aanloop naar het laatste bezoek van de Dalai Lama aan Nederland in 2009. Enkele Tibetaans boeddhistische sangha’s proberen het toetreden van Dorje Shugden-aanhangers tot de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) te verhinderen. Direct ingrijpen door het Ministerie van Justitie & Veiligheid–dat BUN-leden de gevolgen van religieuze discriminatie onder de neus wrijft–voorkomt dat zij daarin slagen. Maar met het forceren van een keuze is het eigenlijke geschil niet opgelost.

Volgens de Tibetaanse leraar Kundeling Rinpoche (Trouw, 2 oktober 2008ziet de Dalai Lama in de aanhangers van Dorje Shugden een ʻzondebokʼ voor zijn eigen falen tegenover China. Waar Westerse politici hun achterban op de gevestigde handelsbelangen of het ontbreken van internationale politieke steun zouden wijzen, doet de Tibetaanse leider volgens hem de volgelingen van een ‘boze geest’ in de ban. Het klinkt onaannemelijk, al zou het niet voor het eerst zijn dat Tibetaanse geestelijken een politiek geschil met religieuze middelen uitvechten, en vice versa.

De vraag is wat westerse boeddhisten met het geloof in geesten en goden van leraren zoals de Dalai Lama en Kundeling Rinpoche aan moeten. Blijft onwetendheid en de loyaliteit van bekeerlingen jegens Tibetaanse leraren de doorslag geven, dan zal de kwestie steevast op een politiek steekspel uitlopen. Dan wordt de betekenis van Dorje Shugden door hen niet op grond van een zorgvuldige, eigen afweging bepaald, maar op basis van voorgeprogrammeerde Tibetaanse standpunten.

Even echt als een yak

Voor de meeste Tibetanen is Dorje Shugden even echt als een mens, een yak, of een kop boterthee. In hun ogen komt hij frequent tussenbeide in het dagelijks leven. In ‘What’s at Stake as the Dharma Goes Modern?’ schrijft Linda Heuman daarover in Tricycle Magazine (Fall 2012): ‘In een wereld waarin goden werkelijk bestaan, is het zien van een geest het zien van een geest, niet het geloof dat je een geest ziet.’

Zo debatteren Tibetaanse geleerden al eeuwen over Shugden’s ‘bedoelingen’. Ze doen dat met dezelfde bloedige ernst en ijzeren logica waarmee ze de boeddhistische filosofie proberen te doorgronden. Ook de meest fervente Tibetaanse tegenstanders van Dorje Shugden betwisten niet zijn bestaan, maar zijn aard. Westerse bekeerlingen kunnen hen daarin niet volgen, ook niet degenen die menen van wel.

Voor hen gaat mogelijk iets anders op. De Amerikaanse filosoof Daniel Dennett zegt in De betovering van het geloof dat veel christenen helemaal niet toekomen aan de vraag of God bestaat of niet, omdat ze hun leven lang volstaan met het geloof in het geloof in God. Zij nemen simpelweg aan dat het geloof in God goed voor hen is. En daarbij laten ze het. Zo’n aanname is in beginsel vatbaar voor empirisch onderzoek. Is het geloof in geloof goed voor een mens?

Bijvoorbeeld: in 2005 wees onderzoek van de Amerikaanse wetenschapper Herbert Benson (Harvard Medical School) uit dat het geloof in andermans smeekbeden niet goed voor onze gezondheid is. Dat wil zeggen: de gebeden zelf maken geen significant verschil voor de kans op herstel, maar de toestand van patiënten die weten dat men voor hen bidt, gaat wel minder hard vooruit dan die van degenen die dat niet weten. Kennelijk geloofden die patiënten dat het feit dàt voor hen gebeden werd, verschil uitmaakte. En dit besef vertraagde hun herstel.

Wedergeboorte

Net zo gelooft menige boeddhistische bekeerling in wedergeboorte, zonder zelf na te gaan of wedergeboorte ook een feit is. Datzelfde kan ook voor het geloof in godheden zoals Dorje Shugden gelden. Zonder zich af te vragen of hij wel bestaat, neemt de ene groep boeddhisten op gezag van Tibetaanse geestelijken aan dat het volgen van deze godheid hen ʻbeschermtʼ terwijl anderen geloven dat dit hen ʻschaadt.ʼ Hoe zijn zij daarbij gebaat?

De bekering van westerse boeddhisten blijft per definitie onvolkomen. Het staat bij voorbaat vast dat ze niet alles kunnen overnemen. Desondanks is hun loyaliteit ten opzichte van charismatische Tibetaanse leraren dikwijls onvoorwaardelijk. Zo accepteert een deel van hen een nauwelijks gekend wereldbeeld—waarin het zien van goden het zien van goden is—zonder dat sprake is van merkbare cognitieve dissonantie. Wie wordt daar wijzer van?

Hoe oprecht ook: zulk geloof is wankel zolang het ongetoetst blijft. Het is een ban die licht verbroken wordt, en daardoor een bron van behoudzucht vormt. Zodra de kennismaking met wetenschap en de moderniteit Tibetaanse geestelijken dwingt hun premoderne wereldbeeld bij te stellen, zou het verzet daartegen wel eens van ʻorthodoxeʼ bekeerlingen in het Westen kunnen uitgaan. Klampen niet juist bekeerlingen zich vast aan de ʻoorspronkelijke’ of de ʻzuivere’ leer? Maar, wat schieten ze daarmee op?

Ondertussen prijst Kundeling Rinpoche het belang en de betekenis van zijn persoonlijke geloof in Dorje Shugden aan, en betwist dat de Dalai Lama daarover als geestelijk leider een bindend oordeel zou mogen vellen. Vanzelfsprekend heeft hij het recht op zijn mening, maar dat betekent niet dat de discussie daarover op zijn voorwaarden zou moeten worden gevoerd. Wie is daarmee gediend?

Westerse boeddhisten doen er verstandig aan de discussie over deze controverse niet te voeren in termen die door Tibetaanse geestelijken worden gedicteerd. Ze hoeven namelijk geen partij te kiezen. Ze hoeven geen boodschap te hebben aan de voorstelling die Tibetanen zich van dit conflict maken. Of het Tibetaanse geloof in Dorje Shugden ook naar westerse maatstaven het geloven waard zal blijken blijft vooralsnog een open, in beginsel empirische vraag. Misschien zien Tibetaanse geestelijken wel spoken.

• open boeddhisme •, 11 september 2012