Kritiseer het boeddhisme

Bij alle rumoer rond de islam lijkt het iedereen te ontgaan dat het boeddhisme de op twee na grootste religie van Nederland is (Binnenland, 26 mei). Maar roept deze ‘boeddhaïsering’ van de polder nu minder weerstand op dan de islamisering, omdat het boeddhisme een beter imago heeft, óf omdat de stijging van het aantal boeddhisten weinig meer behelst dan een oppervlakkige flirt met het boeddhisme, die niet dieper gaat dan de toegenomen vraag naar boeddhabeeldjes, mindfulness-cursussen en boeken van de dalai lama?

Wie afgaat op de genoemde cijfers zal gemakkelijk het eerste aannemen. Dat niemand zich er druk om maakt dat het aantal Nederlanders met een boeddhistische levensbeschouwing de afgelopen twintig jaar is vervijftienvoudigd, tot maar liefst 250 duizend, lijkt maar één ding te betekenen: er valt aan het boeddhisme moeilijk aanstoot te nemen.

Maar is dat getal zélf wel betrouwbaar? Van wie is het afkomstig? Waartoe dient het? Onder- zoeker Marcel Poorthuis merkt terecht op dat veel Nederlanders zich boeddhist noemen zonder te weten wat het inhoudt. Zegt de aanduiding ‘boeddhist’ dan misschien zo weinig dat niemand zich eraan kan storen, zelfs niet als vast komt te staan dat het ‘tulpenboeddhisme’ de derde godsdienst is?

De Boeddhistische Unie Nederland (BUN) zelf schatte haar achterban in 2005 al op 250 duizend leden. Ze kon daartoe komen door de gangbare betekenis van het woord ‘boeddhist’ op te rekken tot ‘affiniteit met het boeddhisme hebben’. Dat getal is een eigen leven gaan leiden en is sindsdien, veelal uit institutionele, financiële en commerciële belangen, in boeddhistische kringen als vast- staand feit gepresenteerd. Zo maakte de Boeddhistische Omroep Stichting (BOS) er tegenover de Visitatiecommissie landelijke publieke omroep onlangs aanspraak op, dat buiten de bij ‘ver- schillende boeddhistische gemeenschappen’ aangesloten 250 duizend personen, volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau, ruim 1,5 miljoen mensen zich op enigerlei wijze verbonden voelen met het boeddhisme. Wie weet. Maar wat zegt dat nu precies?

Dat de BUN de beeldvorming met succes monopoliseert, blijkt onder meer uit het feit dat haar aanspraak op een achterban van minstens een kwart miljoen, ondanks de stringente eisen die de overheid aan de omvang en representativiteit van andere koepelorganisaties stelt, nog nooit kritisch is getoetst. Zo vond de BUN het ministerie van Justitie onlangs bereid een boeddhistische dienst geestelijke verzorging en bijbehorende universitaire leergang te bekostigen, terwijl ambtenaren hadden nagelaten de van de BUN zelf afkomstige cijfers te onderzoeken.

Waarom eigenlijk? Dat het Centraal Bureau voor de Statistiek, anders dan voor hindoes (circa 120 duizend), nog steeds geen raming van het aantal Nederlandse boeddhisten maakt, betekent toch niet dat het cijfer 250 duizend wel juist moet zijn? Zelfs áls de schatting klopt, wat onafhankelijke deskundigen betwijfelen, staat niet vast dat de BUN deze groep ook werkelijk vertegenwoordigt. Kennelijk kon men zich bij Justitie niet voorstellen dat ook boeddhisten er belang bij kunnen hebben de eigen achterban en representativiteit te overdrijven.

Toch valt onder boeddhisten zelf, zodra de werkelijkheid niet aan de ‘statistiek’ blijkt te voldoen, steeds vaker cognitieve dissonantie te bespeuren. Van aantallen alleen kan ook een boeddhistische schoorsteen niet roken. Zo wisten de BUN en Achmea, ondanks het directe financiële voordeel, niet meer dan zo’n duizend boeddhistenpolissen te slijten; kunnen boeddhistische tijdschriften de concurrentie met Happinez niet aan; verbreden boeddhistische uitgevers noodgedwongen hun fonds; gaat zelfs de BOS op zoek naar ‘ongebonden spirituelen’; en blijven boeddhistische centra ware doorgangshuizen.

Overheid en bedrijfsleven dragen meer bij aan het inkomen van ‘beroepsboeddhisten’ dan de boeddhistische gemeenschap zelf. Kortom, boeddhistische organisaties kampen misschien niet met een tekort aan oppervlakkige affiniteit, maar wel met een serieus gebrek aan belangstelling.

Alle boeddhaïsering ten spijt, meen ik dat de receptie van het boeddhisme als religie zo pril en onzeker is dat men het terecht niet al te serieus neemt. Intussen houdt een kleine groep boeddhistische bekeerlingen wel een schijnwerkelijkheid in stand die dringend publieke en journalistieke toetsing behoeft.

Net als christenen, moslims, hindoes, joden en andere groepen heeft ook de boeddhistische gemeenschap, hoe klein deze ook is, het volste recht op kritiek. Sterker, die zal oprechte boeddhisten geen zorg maar een zegen zijn.

Volkskrant, 3 juni 2009