De dalai lama in Nederland: Meer geliefd dan gekend

Van 10 tot en met 12 mei 2014 verblijft de dalai lama in Nederland. Inhoudelijk staat zijn bezoek in het geheel in het teken van secularisatie en educatie. Het ontwikkelen van ethisch besef begint van jongs af aan en moet verder reiken dan religie, vindt de dalai lama. Maar, wat zegt dit over hem? Hoe bepaalt hij zijn standpunt in actuele morele kwesties? Welke dilemma’s dringen zich daarbij aan hem op?

Tibetaanse guerilla’s staakten hun gewapende verzet tegen de Chinese bezetting van Tibet in 1974, een jaar na zijn eerste bezoek aan Nederland. Niet omdat de dalai lama daartoe op principiële gronden besloot, maar omdat de Amerikaanse geheime dienst hem geen andere keuze liet. Hoe verhoudt zich dit tot zijn pleidooi voor geweldloosheid? De dalai lama rekent het tot zijn morele plicht voor religieuze verdraagzaamheid te pleiten door een oordeel te vellen over de werkelijke aard van een boze geest. Hoe rijmt hij dit met zijn betoog over seculiere ethiek? Volgens het Tibetaans boeddhisme is seksueel verkeer tussen leraar en leerling geen taboe. Toch is seksueel misbruik door Tibetaanse geestelijken in boeddhistisch Nederland tot nu toe onbespreekbaar. Hoe kan dat?

In de veertig jaar na zijn eerste bezoek is in ons land niet alleen een boeddhistische gemeenschap ontstaan, de Nederlandse samenleving zelf is ingrijpend veranderd. Welke consequenties hebben maatschappelijke trends voor Nederlands boeddhisten? Hoe doen boeddhisten hun voordeel met de sterk toegenomen aandacht voor seksueel misbruik door geestelijken en de inhoudelijke expertise die journalisten, onderzoekers en de rooms-katholieke kerk op dit vlak hebben opgebouwd? Wat betekent morele secularisatie voor het boeddhistische perspectief op menselijke drijfveren als geweld, macht en seks? Welke sociaal- en politiek-filosofische inzichten heeft een belangrijke boeddhistische leraar zoals de dalai lama ons te bieden?

Het is onaannemelijk dat de dalai lama tijdens zijn zevende bezoek aan Nederland zulke vragen zelf opwerpt. Hij heeft zijn eigen politiek-religieuze agenda, en zijn Nederlandse entourage ziet erop toe dat daarvan niet wordt afgeweken. Maar dat betekent niet dat hij niet met dit soort vragen mag worden geconfronteerd.

Zes bezoeken in veertig jaar

Tenzin Gyatso (79), de veertiende dalai lama, bezocht Nederland de afgelopen veertig jaar zes keer. Voor het eerst in 1973. Ter vergelijking: sinds de jaren zeventig reisde hij 62 keer door de Verenigde Staten (VS), 54 keer door (West-)Duitsland en 37 keer door Frankrijk. In dezelfde periode deed de dalai lama andere West-Europese landen tussen de tien en de 40 keer aan.

Zijn eerste bezoek aan Nederland had plaats tijdens een uitgebreide Europese tournee die in Vaticaanstad begon. Op 30 september 1973 ging de 38-jarige dalai lama die sinds 1959 als politiek vluchteling in India leeft, op audiëntie bij paus Paulus VI († 1978). Het was een historisch ogenblik: nooit eerder ontmoette het hoofd van de rooms-katholieke kerk de wereldlijk en geestelijk leider van het Tibetaanse volk.

Net als zijn dertien voorgangers had de dalai lama Azië nog nooit verlaten. Zijn beeld van het Westen baseerde hij vooral op indrukken die hij overhield aan ontmoetingen met westerlingen in Tibet en India, Amerikaanse tijdschriften, nieuwsuitzendingen van de BBC en oude bioscoopjournaals. Zijn ervaring met andere Aziatische culturen was ook beperkt: in de jaren vijftig reisde hij door China, in 1967 verbleef hij drie weken in Japan en Thailand.

Het zou tot 1979 duren voor de dalai lama zijn eerste bezoek aan de VS bracht. Dit had een politieke reden. In 1960, een jaar nadat de Amerikaanse geheime dienst CIA hem naar India hielp vluchten, werd de dalai lama uitgenodigd voor een conferentie in New York en een kennismakingsgesprek met president Dwight Eisenhower in Washington. Het bezoek zou een informeel, religieus karakter krijgen—de Amerikaanse regering heeft altijd geweigerd de dalai lama als staatshoofd van Tibet te ontvangen. De dalai lama wees de invitatie af vanwege de precedentwerking die daarvan zou uitgaan. De uitnodiging aanvaarden zou de Tibetaanse aanspraak op onafhankelijkheid aan kracht doen inboeten, dacht hij.

St. Circus

Zijn reserve belette de dalai lama niet nauw met de Amerikanen te blijven samenwerken. Onder de codenaam St. Circus financierde, trainde en bevoorraadde de CIA tussen 1957 en 1973 het gewapende verzet van Tibet tegen de Chinese bezetting. In het Amerikaanse gebiedsdeel Saipan (Grote Oceaan) en in Camp Hale (Colorado) leidden Amerikaanse instructeurs Tibetaanse parachutisten op die dan uit ongemarkeerde vliegtuigen boven Tibet sprongen. Ook hadden geregeld wapendroppings plaats. De Tibetaanse geheim agenten leidden er de guerilla tegen het Chinese leger.

In de jaren zestig ontving de Tibetaanse regering in ballingschap hiervoor jaarlijks 1,7 miljoen dollar. Behalve het gewapende verzet betaalde de CIA ook de lobbykantoren van de dalai lama in Genève en New York en een kaderopleiding voor Tibetaanse ambtenaren aan Cornell University. De dalai lama zelf ontving een stipendium van 180.000 dollar per jaar.

De clandestiene Tibetaans-Amerikaanse militaire samenwerking eindigde begin jaren zeventig. In 1973 bracht de CIA de laatste betalingen terug van 500.000 dollar per jaar naar nul. Het ontregelende effect en de inlichtingenwaarde van de militaire operaties in Tibet wogen volgens de CIA niet langer op tegen de kosten. Ook achtten de Amerikanen het politieke afbreukrisico van St. Circus te groot: in die jaren zocht president Richard Nixon (1969-1974) met zijn ’pingpongdiplomatie’ toenadering tot de machthebbers in China. In 1974 dwong de Amerikaanse realpolitik de dalai lama tot het versturen van een op band ingesproken boodschap. Daarin riep hij de laatst overgebleven, weerspannige Tibetaanse guerillastrijders in Nepal op zich te demobiliseren.

Precaire situatie

De dalai lama moet zich van het wegvallen van de Amerikaanse politieke en militaire steun tijdens zijn Europese rondreis in 1973 acuut bewust zijn geweest. De toekomst van een onafhankelijk Tibet en van het Tibetaans boeddhisme, en de eenheid van het Tibetaanse volk werden daardoor rechtstreeks bedreigd. Dít was de politieke context van zijn reis door Europa. Hoe precair zijn situatie was zal zich niet hebben opgedrongen aan de Nederlandse vrijwilligers die dat eerste bezoek aan Nederland organiseerden: de dalai lama en zijn regering in ballingschap gaven het bestaan van St. Circus en de bestemming van het CIA-geld pas in 1998 openlijk toe.

Bij aankomst op Schiphol gaf de dalai lama geen interviews. In een schriftelijke verklaring werd benadrukt dat zijn bezoek een ‘zuiver cultureel, religieus en persoonlijk karakter draagt, waarbij de politiek buiten beschouwing wordt gelaten.’ Kennelijk hield de dalai lama niet langer vast aan zijn eerdere wens als door de Tibetaanse grondwet-in-ballingschap van 1963 aangewezen staatshoofd te worden ontvangen.

Behalve enkele kerkelijk leiders, onder wie de rooms-katholieke kardinaal Bernardus Alfrink, met wie hij het belang van de interreligieuze dialoog besprak, ontmoette de dalai lama ook Prins Bernard. Hij bedankte de prins in paleis Soestdijk voor zijn inzet voor een Europese vluchtelingenactie uit 1966. De opbrengst daarvan—65 miljoen gulden—kwam deels ten goede aan Tibetaanse vluchtelingen in India en Nepal. Zijn verblijf in Nederland werd afgesloten met een bezoek aan het Evoluon in Eindhoven, waar de dalai lama kennis maakte met Frits Philips.

900 boeddhisten, 10 sangha’s

De dalai lama trof in Nederland in 1973 in Nederland een boeddhistische gemeenschap aan die uit nog geen tien lokale sangha’s (groepen boeddhisten) bestond, waarvan één Tibetaans boeddhistische organisatie. Bij de laatst gehouden volkstelling (1971) telde ons land bij elkaar 900 boeddhisten. In krantenverslagen wordt nergens duidelijk of de dalai lama zich tijdens dit eerste bezoek behalve over het wrede lot van het Tibetaanse volk ook over de prille receptie van het boeddhisme in Nederland heeft uitgelaten.

De inhoudelijke voorbereiding van het programma was in handen van een kleine groep boeddhisten en Tibet-sympathisanten. Zij waren maar net in staat zo’n bezoek te organiseren. Niet voor niets riepen ze daarom de hulp in van de Theosofische Vereniging en Soefi Beweging. ‘Van een duidelijke verzwakking was al sprake toen de stichting voor de uitdaging werd gesteld om in 1973 de Dalai Lama te ontvangen’, blikte voorzitter Leo Boer († 1983) van de Stichting Nederlands Boeddhistisch Centrum in 1982 in het blad Saddharma terug. ‘Het heeft ernaar uitgezien dat de stichting aan deze krachtsinspanning zou bezwijken.’

Uit Boers observaties spreekt weinig besef van de keuzes waarvoor de dalai lama als boeddhistisch geestelijk leider in 1973 stond. Geweld of geen geweld? Geestelijk of politiek leider? Onafhankelijkheid of autonomie? Ballingschap of gevangene in eigen land? Ook valt uit Boers terugblik niet op te maken of Nederlands boeddhisten lering probeerden te trekken uit de eerste ervaring die de dalai lama had opgedaan met de ontmoeting tussen de eeuwenoude, traditioneel boeddhistische Tibetaanse cultuur en de westerse, seculiere moderniteit.

Als de Nederlandse organisatoren aan dit eerste bezoek van een hoge boeddhistische geestelijke een leidraad voor de volwassen, kritische receptie van boeddhisme in onze samenleving hebben overgehouden, dan is deze voor de geschiedenis niet bewaard gebleven. Vermoedelijk rekenden zij het alleen tot hun taak de dalai lama een platform voor het verkondigen van zijn politieke en religieuze boodschap te bieden, en niet om hem daarover kritisch te bevragen.

Professioneel netwerk

Was hij in 1973 nog aangewezen op de inzet van een kleine groep vrijwilligers, vanaf 1993 worden zijn bezoeken georganiseerd door de speciaal daartoe opgerichte Stichting Bezoek Zijne Heiligheid Dalai Lama (SBDL). Dit betekent dat de dalai lama in 2014 in Nederland te maken krijgt met een uitgebreid, professioneel netwerk. De boeddhistische gemeenschap is gegroeid. Het Centraal Bureau voor de Statistiek schat het aantal boeddhisten boven de twintig—boeddhisten uit Azië inbegrepen—nu op ongeveer 65.000.

De belangstelling van boeddhisten en niet-boeddhisten voor de dalai lama werd rond de millenniumwisseling massaal van aard. Zo trok zijn publiekslezing in 2009 in de Amsterdamse RAI ongeveer 10.000 bezoekers. Met de bezoekersaantallen neemt ook de opbrengst uit kaartverkoop toe en worden hogere eisen gesteld op het gebied van veiligheid, vergunningen, verzekeringen, financiële verantwoording, enzovoorts.

De SBDL besteedt daarom een deel van de werkzaamheden uit aan professionals als het Amsterdamse campagnebureau BKB. In 2009 verzorgde BKB het mediabeleid rondom het bezoek en voerde de redactie over de website. Het komende bezoek wordt, behalve door BKB, georganiseerd door SBDL-bestuurslid en interim manager Reinier Tilanus (50) en SBDL-bestuurslid en consultant Sander Tideman (55).

De organisatoren worden actief ondersteund door de International Campaign for Tibet (ICT) die verantwoordelijk is voor het politieke deel van het programma. Het Amsterdamse ICT-kantoor staat onder leiding van de Tibetaanse Tsering Jampa (58). ICT Amsterdam behoort met 28.794 donateurs (jaarverslag 2012) en 1.624.754 euro aan baten (jaarrekening 2012) wereldwijd tot de grootste vestigingen van de mensenrechtenorganisatie.

Het netwerk rondom de dalai lama beschikt tegenwoordig ook over zijn eigen nieuwsvoorziening: media zoals het Boeddhistisch Dagblad, BoeddhaMagazine en de publieke omroep Boeddhistische Omroep Stichting (BOS) geven via het internet en social media volop ruchtbaarheid aan het bezoek. Deze netwerkmedia fungeren vooral als doorgeefluik. Ze nemen tegenover de dalai lama en zijn Nederlandse entourage geen journalistieke distantie in acht en vervullen geen kritische functie. Ook is sprake van dienst en wederdienst. SBDL werkt mee aan een BOS-prijsvraag en roept bezoekers van Dalailama2014.nl op donateur van de Stichting Vrienden van de BOS te worden. Bij de uitgever van BoeddhaMagazine (Milinda Uitgevers) bestelde SBDL voor alle bezoekers een heruitgave van een commentaar op Tsongkhapa’s Drie hoofdzaken van het pad en een exemplaar van de dalai lama’s boek Vrij van religie (2013).

Nederlandse entourage

De schaalvergroting, professionalisering en commercialisering ten spijt, berust de inhoudelijke regie over het bezoek van de dalai lama aan Nederland nog steeds bij een kleine groep. Het professionele netwerk van de organisatoren mag zijn uitgebreid, zijn Nederlandse entourage bestaat—net als in 1973—uit niet meer dan een handvol personen. Van hen was SBDL-voorzitter Paula de Wijs (66) als enige bij alle bezoeken sinds 1973 betrokken.

De Wijs is een van de langst zittende, meest bepalende bestuurders in het Nederlands boeddhisme. Ze is 35 jaar bestuurslid van de Federation for the Preservation of the Mahayana Tradition, 16 jaar van het Maitreya Instituut, en 16 jaar van de SBDL. De Wijs kent ICT-directeur Tsering Jampa al sinds de jaren zeventig. Hun wegen kruisen elkaar voortdurend: bij het Tibetan Affairs Coordination Office, de Stichting Ontmoeting met Tibetaanse Cultuur, de Tibet Support Groep, ICT en SBDL. Jampa is net als De Wijs sinds 1998 SBDL-bestuurslid. Ze worden beiden tot de intimi van de dalai lama gerekend.

De werkwijze van de dalai lama’s Nederlandse entourage kenmerkt zich door een hoge mate van onderlinge verwevenheid. Zo rouleren enkele personen—onder wie Jampa, Tideman, Tilanus en De Wijs—in bestuursfuncties binnen onder meer de Boeddhistische Unie Nederland (BUN), Tibetaans boeddhistische ledenorganisaties van de BUN en de BOS. Ondernemers als Tideman en Tilanus schakelen bij het organiseren van een bezoek van de dalai lama ook hun zakelijk netwerk in. In feite fungeren al deze personen vooral als loyaal uitvoerder van de dalai lama’s religieuze en politieke agenda. Hun rol in de samenstelling van het programma en de gastenlijst, en hun invloed op de toegang die journalisten tot de dalai lama krijgen kan niet worden overschat.

Nationale unie

Net als bij andere Europese nationale organisaties domineert de dalai lama’s aanhang ook de Nederlandse koepelorganisatie: de BUN. Publicist en leraar Stephen Batchelor zegt daarover: ‘De meeste unies staan onder leiding van hetzelfde soort boeddhistische groepen: Tibetaanse groepen, maar niet álle. Alle landelijke unies die ik ken, weigeren één van de grootste Tibetaans boeddhistische organisaties, de Nieuwe Kadampa Traditie (NKT), toe te laten. De enige reden dat deze organisatie in geen van deze unies vertegenwoordigd wordt, is dat de dalai lama zich tegen de NKT uitspreekt. Dát is de reden waarom zij worden buitengesloten.’

De Nederlandse unie vertegenwoordigt ongeveer dertig sangha’s, de helft behoort tot het Tibetaans boeddhisme. Ze houdt de zendmachtiging voor de publieke omroep BOS en is formeel contactorgaan van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Vier van de vijf BUN-bestuursleden, onder wie Paula de Wijs en Reinier Tilanus, zijn Tibetaans boeddhist.

Verhogen statuur

De Nederlandse entourage van de dalai lama richt zich primair op het bewaken en verhogen van de statuur van de dalai lama als pleitbezorger van het Tibetaanse volk. Vergeleken daarmee is zijn rol als boeddhistisch geestelijk leider van ondergeschikt belang. In het SBDL-overzicht van eerdere bezoeken worden als ‘belangrijkste gebeurtenissen’ dan ook vooral ontmoetingen met Nederlandse politici, bewindslieden en hoogwaardigheidsbekleders opgesomd.

Over zijn interactie met Nederlands boeddhistische geestelijken of een constructieve bijdrage aan de inhoudelijke discussie over de receptie van het boeddhisme in Nederland is op de site van SBDL niets terug te vinden. Dat is veelzeggend: het begin jaren zeventig gekozen format is nog steeds leidend. Nederlands boeddhisten bieden de dalai lama gelegenheid zijn religieuze en politieke opvattingen uit te dragen, maar het is eenrichtingsverkeer. Van een publieke discussie over het boeddhisme met de dalai lama is dan ook geen sprake. Kennelijk voelen boeddhistische bekeerlingen zichzelf nog steeds niet in staat de dalai lama uit te dagen tot een kritisch gesprek. Ook de boeddhistische netwerkmedia spelen hierin geen enkele rol.

Omdat het netwerk rondom de dalai lama als één politiek-religieus complex fungeert, zijn met ieder bezoek aan Nederland grote financiële, commerciële, institutionele en publicitaire belangen gemoeid. Zijn imago raakt iedereen. De beeldvorming rondom de dalai lama—positief én negatief—beïnvloedt zijn entourage en hun organisaties, én omgekeerd. Er is de betrokkenen dus veel aan gelegen de beeldvorming rondom de dalai lama te sturen en te beheersen. De organisatoren hebben en het motief en de gelegenheid om actuele, omstreden kwesties binnen het boeddhisme tijdens zijn bezoek aan het zicht te onttrekken. Dit gebeurt dan ook. Hier wreekt zich de onbekendheid van niet-ingewijden—journalisten, beleidsmakers en politici—met de dalai lama’s intellectuele biografie: ze weten niet goed wie ze nu eigenlijk voor zich hebben.

Toonaangevende intellectueel

De afgelopen decennia veranderde de dalai lama in een icoon. Hij wordt wereldwijd als boegbeeld van het boeddhisme gezien. Hij is (co-)auteur van honderden boeken, enkele daarvan prijken op bestsellerlijsten. Hij trekt overal duizenden belangstellenden, nieuwsmedia volgen hem op de voet. Zijn uitspraken veranderen binnen een paar uur in krantenkoppen.

Hij ontving de Nobelprijs voor de Vrede en werd gelauwerd door het Amerikaanse congres en de Templeton Foundation. Hem zijn talrijke eredoctoraten toegekend. Time Magazine rekende de dalai lama in 2004, 2005 en 2008 tot de 100 invloedrijkste personen ter wereld. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat hij een van de meest toonaangevende intellectuelen van onze tijd is.

De dalai lama’s boeken bevatten een overvloed aan biografische details. Zijn levensverhaal is talloze malen herhaald, in woord en beeld: denk aan blockbusters als Seven Years in Tibet (1997) met Brad Pitt en Kundun (1997) van Martin Scorsese. Echter, een samenhangende, diepgaande intellectuele biografie van de dalai lama ontbreekt. Wie zich een beeld wil vormen van zijn manier van denken moet dat op eigen kracht doen, op basis van een allegaartje aan informatie uit een verscheidenheid aan bronnen.

Ongrijpbare denker

Academici hebben de dalai lama’s originaliteit als hedendaags boeddhistisch filosoof nog amper ontdekt, er is nauwelijks iets bekend over de ontwikkeling van zijn denken in de tijd. Niemand weet hoe de westerse wetenschap en moderniteit de dalai lama precies beïnvloeden. Waarom hij hardnekkig vasthoudt aan bepaalde traditionele ideeën en stokoude praktijken, is onduidelijk. Behalve de Chinese machthebbers—die hem in een karikatuur veranderen—durft vrijwel niemand de opvattingen van de dalai lama openlijk te bekritiseren. De dalai lama behoort niet alleen tot de meest invloedrijke intellectuelen, hij is ook een van meest ongrijpbare denkers ter wereld.

De dalai lama is meer geliefd dan gekend, en dit heeft allerlei consequenties. Zonder nader onderzoek valt niet te beoordelen of de dalai lama’s zelfpresentatie in het Westen—zijn publieke persona—orthodox of heterodox, behoudend of vrijzinnig, partijdig of objectief is. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is de dalai lama niet het hoofd van een kloosterorde. Zijn ambt is met veel gezag bekleed, toch wijst de geschiedenis uit dat Tibetaanse geestelijken het oordeel van de dalai lama vaak naast zich neer leggen. Dit betekent dat niet valt te zeggen hoe groot het draagvlak van zijn persoonlijke zienswijze binnen de Tibetaans boeddhistische traditie is.

Dít is de achtergrond waartegen Nederlandse bekeerlingen hun beoefening van het Tibetaans boeddhisme gestalte geven. Sommige van hen dragen zonder erg bij tot de instandhouding van een premodern Tibetaans wereldbeeld, door onkritisch religieuze praktijken over te nemen waarvan vooruitstrevende Tibetanen zich juist distantiëren. Anderen vechten tegen de cognitieve dissonantie die traditionele Tibetaanse opvattingen in hen oproept. Georges Dreyfus bijvoorbeeld die als één van weinige westerlingen dezelfde kloosteropleiding als de dalai lama heeft voltooid, beschrijft hoe een hoge Tibetaanse lama hem tot zijn ontsteltenis halsstarrig probeerde aan te praten dat de aarde plat is.

De loyaliteit van bekeerlingen tegenover charismatische Tibetaanse leraren is dikwijls onvoorwaardelijk. Een deel van hen bekent zich overhaast tot een eeuwenoud Tibetaans wereldbeeld, zonder te doordenken wat dit betekent voor het wereldbeeld waarmee ze zelf zijn opgegroeid. Blijft zulk geloof boven twijfel verheven, dan is het een bron van behoudzucht. De ironie daarvan is: dwingt zijn kennismaking met de moderniteit de dalai lama zijn wereldbeeld te ‘onttoveren’, dan kan de weerstand daartegen ook van ’orthodoxe’ bekeerlingen uitgaan.

Politiek-religieuze missie

Thomas Jefferson (1743-1826) was de derde president van de Verenigde Staten (VS), hij wordt als de geestelijk vader van het land gezien. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan het ontwerp van de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. In Jesuit on the Roof of the World beschrijft Trent Pomplun een bezoek van de dalai lama aan de University of Virginia,  door Jefferson gesticht. Deze universiteit geldt als de bakermat van de Amerikaanse Tibetologie. Het is een prestigieus instituut dat gezaghebbende Tibet-deskundigen heeft voortgebracht: José Cabezón, David Germano, Jeffrey Hopkins, Anne Klein, Donald Lopez  enzovoorts.

Tijdens zijn bezoek liep de dalai lama bij toeval langs een standbeeld van Jefferson. Nadat hem was uitgelegd wie dat was, verklaarde de dalai lama plechtig dat hij in een vorig leven Thomas Jefferson is geweest. Pomplun illustreert met deze anekdote, die hem als student werd verteld, een belangrijk punt. Voor Tibetanen spreekt vanzelf dat een voorganger van de huidige dalai lama (Kelsang Gyatso, de zevende dalai lama, 1708-1757), die net als hijzelf een alwetende reïncarnatie van de bodhisattva van mededogen was, tegelijk als Thomas Jefferson kan zijn verschenen. In dat geval zou de idee van de Verenigde Staten van Amerika voor het eerst zijn opgekomen in een verlichte, alwetende geest, die voorzag dat Amerikanen in de loop van de twintigste eeuw behoefte zouden hebben aan onder meer een universiteit die de receptie van het boeddhisme helpt voorbereiden.

Omdat de dalai lama wel begrijpt dat hij daarmee de hoon van veel academici over zich afroept, maakt Pomplun duidelijk, maakte hij de opmerking alleen tegenover een kleine groep ingewijden en herhaalde hij deze nooit en plein public. Bij alle media aandacht voor de dalai lama’s ‘boeddhistische missie’, schrijft Pomplun, blijft ‘het hoogontwikkelde scholastieke wereldbeeld dat aan die missie ten grondslag ligt aan het oog onttrokken.’

Omdat hij degenen die moeite hebben met zijn wereldbeeld, niet van zichzelf wil vervreemden, houdt de dalai lama opmerkingen over reïncarnatie als politiek-religieuze lange termijn planning meestal voor zich. ‘Sommige mensen boezemt zo’n vermenging van godsdienst en politiek angst in, zeker wanneer het een zo exotisch geloof als het Tibetaans boeddhisme betreft,’ aldus Pomplun.

Westerse bevreemding

Toch overvalt de dalai lama zijn publiek in het Westen regelmatig met opvattingen die bevreemding wekken. Zo komt hij er openlijk voor uit dat hij orakels raadpleegt. Ook is alom bekend dat hij zijn standpunt in religieuze en politieke kwesties mede door middel van rituele waarzeggerij bepaalt. Tijdens sommige optredens velt hij naar moderne maatstaven achterhaalde oordelen over ‘tegennatuurlijke’ homo- en heteroseksuele handelingen. Oók binnen stabiele, liefdevolle relaties.

Pomplun heeft gelijk: de dalai lama’s denken over democratie en recht roept inderdaad vragen op. In 2006, tijdens een conferentie over boeddhisme en recht aan de Buffalo Law School in de VS, maakte de dalai lama een voorbehoud bij de scheiding tussen kerk en staat. Hij onderscheidde twee soorten politiek: partijpolitiek en de nationale strijd voor zelfbehoud. Boeddhistische monniken moeten zich van het eerste verre houden, zei hij. Echter, zijn eigen inzet als vertegenwoordiger van het Tibetaanse volk maakt volgens hem deel uit van zijn boeddhistische beoefening. Voor die opvatting hadden de Amerikaanse juristen weinig begrip. Zij zagen in de rechtsstaat geen ruimte voor een door religieuze motieven ingegeven fusie van het seculiere en het sacrale.

Sommige wetenschappelijke verklaringen van natuurverschijnselen zijn aan de dalai lama niet besteed. In 1950 maakte hij in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa met bergbeklimmer Heinrich Harrer een van de ergste aardbevingen in de geschiedenis van de mensheid mee. In die tijd beschouwden Tibetanen aardbevingen als een kwaad voorteken. Harrer’s uitleg van dit verschijnsel, onder verwijzing naar wetenschappelijk inzichten in platentectoniek en seismische activiteit, overtuigde de dalai lama niet. In 2004 vond hij een metafysische verklaring nog steeds aannemelijker.

Een paar jaar eerder—op 8 februari 2000, vlak voor een wetenschappelijke dialoog in zijn residentie—voorspelde de dalai lama een aardbeving in zijn woonplaats Dharamsala (India). Deze zou binnen een jaar plaatshebben. Hoge geestelijken en het belangrijkste orakel bevestigden zijn voorspelling. Tibetaanse monniken en nonnen en individuele burgers werd gevraagd de catastrofe met gebeden te helpen voorkomen. Op 26 januari 2001 had in de Indiase staat Gujarat een aardbeving plaats waarbij 20.000 mensen omkwamen. Dharamsala werd gespaard.

Formatieve jaren

Georges Dreyfus is een van de weinige deskundigen die aandacht besteedt aan de intellectuele vorming van de dalai lama vanaf de jaren vijftig. De Zwitser Dreyfus is werkzaam aan Williams College in de VS, en hij wijst erop dat de dalai lama’s belangstelling voor wetenschap, bijvoorbeeld, niet voortkomt uit een moderne westerse opvoeding. Integendeel: de invloed van westerlingen in zijn formatieve jaren was miniem. De ontmoetingen met Indiase intellectuelen in 1956 waren veel bepalender.

Hun gedachtegoed was een complex geheel dat ontstond uit de wisselwerking tussen traditionele zienswijzen en westerse ideeën die zij door de lens van het kolonialisme waarnamen. De dalai lama zag in hen een rolmodel, aldus Dreyfus. Dat zette hem ertoe aan, een eigen vorm van boeddhistisch modernisme te ontwikkelen die hem toeliet zijn traditionele achtergrond te behouden.

Men moet zich volgens Dreyfus niet vergissen: het boeddhistisch modernisme van andere denkers heeft op de intellectuele ontwikkeling van de dalai lama zelf weinig invloed gehad. Hij heeft zijn traditionele scholastieke achtergrond nooit verloochend. Het wantrouwen tegen rituelen bijvoorbeeld, een van de kenmerken van het hindoeïstisch en boeddhistisch modernisme, heeft de dalai lama nooit overgenomen. ‘In veel opzichten is hij volkomen doordrenkt van traditionele waarden en opvattingen’, oordeelt Dreyfus dan ook.

De persoonlijke zienswijze van de dalai lama—zijn religieuze, filosofische en normatieve houding—is sinds het begin van de jaren zeventig amper veranderd. De invloed van zijn continue ontmoeting met de seculiere moderniteit op zijn orthodox-boeddhistische normen en waarden is verwaarloosbaar. De dalai lama’s religieuze overtuiging en persoonlijke beoefening zijn nog even traditioneel als voorheen. Met andere woorden: op dit ogenblik verklaren de traditionele kloosteropleiding uit zijn jeugd en zijn taakopvatting als dalai lama én scholasticus zijn mentaliteit nog steeds het best.

‘Ongewone’ verschijnselen

De dalai lama is een van de belangrijkste exponenten van de Tibetaanse scholastiek. Deze rust op een eeuwenlang beproefde rationaliteit die diep is ingebed in een hoogontwikkelde beschaving. Hoe rationeel en zelfverzekerd die Tibetaanse intellectuele cultuur op het eerste gezicht ook lijkt, in westerse ogen kenmerkt deze zich vooral door de prominente plaats die het geloof in bovennatuurlijke verschijnselen inneemt.

Tot hun consternatie confronteert de dalai lama westerlingen geregeld met een betoog over feiten en gebeurtenissen die hij waarneemt vanuit een perspectief dat hij ‘ongewoon’ (‘uncommon’) noemt. Hij roert die onderwerpen aan met de vanzelfsprekendheid van iemand die geen enkel onderscheid tussen natuurlijk en bovennatuurlijk maakt. De dalai lama concludeert in zo’n geval niet dat de—naar westerse maatstaven bovennatuurlijke—verschijnselen die hij vanuit zijn ‘ongewone’ perspectief waarneemt zich aan de rede onttrekken. Integendeel: hij bespreekt ze met precies hetzelfde begrippenapparaat, dezelfde logica en dezelfde argumenten die hij ook op andere, ‘gewone’ feiten en gebeurtenissen toepast.

De hoog oplopende twist tussen de dalai lama en boeddhistische aanhangers van onder meer de Nieuwe Kadampa Traditie over Dorje Shugden (ook wel: Dolgyal) levert hiervan een goed voorbeeld. De dalai lama stelt niet het bestaan van Shugden ter discussie, maar zijn aard. Voorstanders menen dat Shugden een goede godheid is die hen beschermt, de dalai lama brengt daar tegenin dat het een kwade geest is. Of Shugden wel of niet bestaat, komt helemaal niet aan bod. Zowel de dalai lama als zijn opponenten bepleiten hun zaak met dezelfde ijzeren logica die zij inzetten in een filosofisch debat over onderlinge afhankelijkheid of het voorgoed beëindigen van iedere vorm van lijden.

Twee geloven in één persoon

Zijn verbeten strijd om Dorje Shugden maakt veel westerse toehoorders onzeker. Dit wijst erop dat de dalai lama zich al vroeg eraan heeft gewend deze kant van zichzelf—zijn ‘ongewone’, premoderne perspectief—tijdens optredens in het Westen niet te tonen. Hij bestrijdt Shugden immers als sinds de jaren zeventig. Waarschijnlijk had hij het gevoel dat westerlingen dit soort Tibetaanse ideeën en praktijken nu eenmaal niet begrijpen.

Maar, schrijft Dreyfus: ‘Wanneer de dalai lama meent dat grote belangen op het spel staan of dat het tijd wordt bepaalde zaken te verduidelijken, dan doorbreekt hij deze gewoonte. Ook wanneer hij zijn publiek daarmee in verwarring brengt. Op zo’n moment wordt duidelijk dat zijn boeddhistisch modernisme grenzen heeft, en dit bezorgt zijn publiek een heel ongemakkelijk gevoel.’

Wie zijn manier van denken en retoriek wil begrijpen, moet de dalai lama’s twee perspectieven—’gewoon’ en ‘ongewoon’—dus goed uit elkaar houden. En dat is niet eenvoudig. Het bestaan ervan toont aan dat in een geest twee ongelijksoortige geloofssystemen om voorrang kunnen strijden. Voor de dalai lama zijn beide overtuigingen even belangrijk, en even valide: hij ziet daarin geen tegenspraak. Maar, merkt Dreyfus op, dat die geloofssystemen in zijn beleving niet conflicteren betekent niet dat de dalai lama anderen daarmee niet kan verwarren. De Shugden-kwestie levert het bewijs.

Wie met de dalai lama in discussie wil gaan over zijn boeddhistische zienswijzen, moet dit doen in termen die hij als de zijne herkent en aanvaardt. Het discours dat zich daarvoor het best leent, is dat van het traditionele Tibetaanse scholastieke debat. Wie zich met hem wil meten, moet van goede huize komen, maar in een traditioneel Tibetaans debat zou zelfs de dalai lama zich van zijn ongelijk kunnen laten overtuigen. De vraag is: wie is daartoe werkelijk in staat? Immers, deze aanpak vooronderstelt een parate kennis van scholastieke finesses en een ontvankelijkheid voor onversneden apologetiek die vrijwel niemand in onze tijd aanleert. Bovendien, hoe verwoord je moderne wetenschappelijke, rechtsfilosofische of politieke inzichten in scholastieke termen? En, hoe haal je de dalai lama uit zijn ‘comfort zone’?

Twan Huys en Paul Rosenmöller

Ervaren journalisten als Twan Huys (Nova College Tour) en Paul Rosenmöller (Spraakmakende Zaken) hadden in 2009 zichtbaar moeite kritisch vat te krijgen op de redeneringen, de retoriek en afleidingsmanoeuvres van de dalai lama. Daarbij speelde vermoedelijk ook hun gebrek aan achtergrondkennis en taalproblemen een rol: de dalai lama’s beheersing van het Engels is nooit vloeiend geweest. Niettemin lukte het Huys, sommige studenten van de Nova College Tour en Rosenmöller soms toch met gerichte vragen en assertieve weerwoorden de dalai lama te ontregelen. Wie die gesprekken terugkijkt, ziet de joviale en goedlachse dalai lama af en toe naar de achtergrond verdwijnen. Tevoorschijn komt een wat nurkse, autoritaire gezagsdrager die duidelijk gewend is de dienst uit te maken en op zijn woord te worden geloofd.

Het zou spannende, bijzonder informatieve televisie opleveren wanneer Huys en zijn studenten of Rosenmöller erin zouden slagen de dalai lama nog meer uit zijn ‘comfort zone’ te halen, maar dan met onderwerpen die niet door hem of zijn entourage worden aangedragen. Immers, Huys’ studenten en Rosenmöller beperkten hun vragen in 2009 tot de dalai lama’s politieke agenda van dat moment. Daartoe is anno 2014 geen aanleiding: de Tibetaans boeddhistische gemeenschap zit verlegen om oplossingen voor problemen die de gehele Nederlandse samenleving aangaan. Kwesties die te maken hebben met de omgang van boeddhisten met geweld, macht en seks.

Geweld

In de BBC-documentaire The Shadow Circus: The CIA in Tibet (1998) beantwoordt de dalai lama de vraag naar de rechtvaardiging van geweld in het Tibetaanse verzet tegen de Chinese overheersing als volgt: ‘In beginsel leert het boeddhistische geloof dat, míts de motivatie en het doel juist zijn, middelen die gewelddadig overkomen toelaatbaar zijn. In dit geval, echter, moeten we ons afvragen of geweld wel praktisch is: dat is de grote vraag.’

Dit antwoord levert direct relevante context bij de dalai lama’s observatie tijdens de conferentie van Buffalo Law School: zijn politieke strijd voor Tibetaanse autonomie maakt deel uit van zijn boeddhistische beoefening. Ook sluit het aan bij zijn andere, keer op keer herhaalde reactie op dezelfde vraag: in een militaire strijd zijn zes miljoen Tibetanen kansloos tegen ruim 1,3 miljard Chinezen.

De dalai lama’s geweldloosheid wordt dus meer ingegeven door een pragmatische afweging dan door principiële bezwaren die hij aan het boeddhisme ontleent. Met andere woorden: in een religieus geïnspireerde, goed gemotiveerde politieke strijd van boeddhisten voor een goed doel is geweld volgens de dalai lama geen taboe.

De dalai lama’s uitleg confronteert Nederlands boeddhisten met vragen als: hoe moeten zij bepalen welk doel en welke motivatie geweld rechtvaardigen? Wie moet dat bepalen? Verdienen boeddhisten in Azië die zich met geweld verzetten tegen andere etnische of religieuze gemeenschappen enzovoorts de steun van Nederlands boeddhisten? Financieel? Moreel? Publicitair? De voorbeelden zijn legio: lees de geschiedenis van Japan, Myanmar, Thailand, Sri Lanka en Tibet maar erop na. Maar ook: waarom is de Tibetaanse guerilla oorlog—indien deze te rechtvaardigen valt—tegen China zo lang verzwegen? Of—indien deze niet te rechtvaardigen is—waarom heeft de dalai lama de Tibetaanse guerilla’s niet veel eerder opgeroepen de wapens neer te leggen?

Macht

Ook het thema macht verdient aandacht. Binnen de Tibetaans boeddhistische gemeenschap heeft de dalai lama weinig formele zeggenschap maar veel informele macht. En hij gebruikt deze ook. Dat hij Tibetaanse guerilla’s opriep de wapens neer te leggen komt neer op een machtswoord: sommige strijders voelden zich niet in staat hem te gehoorzamen en pleegden uit wanhoop zelfmoord. Dat de dalai lama een publiek oordeel velt over het aanbidden van Dorje Shugden, is evenmin vrijblijvend: het verdeelt de Tibetaanse gemeenschap in twee kampen, en plaatst westerse boeddhisten in een situatie waarin zij zich gedwongen voelen partij te kiezen in een geschil dat hen van zichzelf vervreemdt.

Kort voor het vorige bezoek aan ons land van de dalai lama (2009) probeerden enkele Tibetaans boeddhistische leden van de BUN, onder aanvoering van SBDL-voorzitter Paula de Wijs, aanhangers van Dorje Shugden de toegang tot nationale koepelorganisatie BUN te ontzeggen. Zij voegden zich daarmee naar het oordeel van de dalai lama die het als zijn morele plicht beschouwt deze beoefening tegen te gaan. De poging strandde. De BUN werkt formeel samen met het ministerie van Veiligheid en Justitie, dit ministerie beschouwde de poging als een vorm van religieuze discriminatie.

Stephen Batchelor geeft het ministerie gelijk. Over de NKT, een bekende Shugden-sangha die net als de dalai lama het boeddhisme van de Tibetaanse gelug-orde praktiseert, zegt Batchelor: ‘Er is geen goede reden hen uit te sluiten, want de beoefening van de NKT komt precies overeen met die van andere gelug-gemeenschappen. Het is Tibetaans boeddhisme, en ook NKT-aanhangers nemen toevlucht tot de Boeddha, dharma en sangha. Het is geen rare ‘new age’ sekte, en deze groepen zijn net zo boeddhistisch als alle andere.’

De dalai lama rechtvaardigt zijn oordeel over Shugden door op het intolerante ‘karakter’ van Dorje Shugden te wijzen. En De Wijs rechtvaardigt haar gedrag door naar de dalai lama te verwijzen. Maar, is het niet vreemd dat zij beiden hun inzet voor verdraagzaamheid laten afhangen van het oordeel over de ware aard van een godheid of geest? Maakt de dalai lama geen misbruik van zijn macht? Maakte De Wijs geen misbruik van haar positie? Is verdraagzaamheid geen deugd op zich? Hebben Nederlands boeddhisten voor het voeren van een discussie over verdraagzaamheid werkelijk godheden en geesten nodig? Wat heeft die benadering met seculiere ethiek te maken?

Seks

De Wijs’ interventie uit 2009 toont één van de risico’s aan van de bestuurlijke verwevenheid die de Nederlandse entourage van de dalai lama vanzelfsprekend vindt. Een ander risico is dit: diezelfde verwevenheid maakt seksueel misbruik door Tibetaanse geestelijken onbespreekbaar.

De afgelopen decennia kwamen toonaangevende Tibetaanse geestelijken zoals Chögyam Trungpa († 1987), Kalu Rinpoche († 1989) en Sogyal Rinpoche (1948, ook bekend als Sogyal Lakar) in opspraak wegens beschuldigingen van seksueel misbruik van leerlingen, van wie sommigen minderjarig waren. Studies wijzen uit dat—net als binnen de rooms-katholieke kerk—ook in de Tibetaanse monastieke traditie seksueel misbruik van kinderen plaats heeft. De reïncarnatie van Kalu Rinpoche (1990) die zelf een hoge geestelijke is, maakte in 2011 bekend zelf door monniken misbruikt te zijn.

In het Tibetaans boeddhisme zijn seksuele contacten tussen leraar en leerlingen geen taboe. In de Tibetaanse tantra dat de dalai lama als het hoogste boeddhistische onderricht aanmerkt, is seksuele vereniging met de goeroe—zowel denkbeeldig als daadwerkelijk—onderdeel van de beoefening voor ver gevorderde beoefenaars. Dit onderricht wordt door sommigen aangehaald als rechtvaardiging van het gedrag van leraren die vrouwelijke leerlingen aannemen als tantrisch metgezel. Het seksueel verkeer binnen zo’n relatie zou geen misbruik zijn, maar een uiting van de hoogontwikkelde geestelijke staat van de goeroe. De vraag is: wie bepaalt dat? En hoe?

Sogyal Rinpoche

Over het gedrag van met name Sogyal is in het buitenland uitvoerig gepubliceerd, in bijvoorbeeld de Engelse kranten The Guardian en The Sunday Times en het Franse tijdschrift Le Nouveau Marianne. In 1994 spande een van Sogyals leerlingen in de VS een rechtszaak aan en eiste een schadevergoeding van 10 miljoen dollar wegens seksueel wangedrag en mishandeling. De zaak werd voor een onbekend bedrag geschikt.

De journalist Mary Finnigan (The Guardian) schreef over Sogyal het on line essay Behind the thangka’s. Daarin beschuldigen verschillende vrouwen Sogyal ervan dat hij hen seksueel heeft misbruikt en fysiek en geestelijk heeft mishandeld. Enkele van hen doen in de Canadese documentaire In The Name of Enlightenment: Sex Scandals in Religion (2011) herkenbaar in beeld hun verhaal. In een reactie op de documentaire weerspreekt Sogyals eigen organisatie Rigpa niet dat Sogyal seksueel contact met leerlingen heeft, maar wel dat zij daardoor zouden worden geschaad.

De dalai lama nam in 1993 in een gesprek met westerse boeddhistische leraren een ferm standpunt in over Tibetaanse geestelijken die leerlingen seksueel misbruiken. Deze zouden—desnoods via de media—moeten worden aangeklaagd. Maar de dalai lama noemde geen namen, en hij heeft de gezamenlijke slotverklaring nooit ondertekend. Hij heeft zich ook nooit openlijk van Sogyal gedistantieerd. Integendeel: in 2008 opende de dalai lama Lerab Ling, een Franse Rigpa-tempel. Sogyal, op zijn beurt, opende in 2010 het naar de dalai lama genoemde Tenzin Gyatso Institute.

Tot de adviseurs van dit instituut behoren de voormalige Tibetaanse premier in ballingschap Samdhong Rinpoche en de dalai lama’s hoogste diplomatiek gezant Lody Gyari. De laatste is net als Tsering Jampa bestuurslid van de Nederlandse stichting International Campaign for Tibet (ICT). Ook Sogyal was bestuurslid van ICT: van 2005 tot en met 2011. Sogyal bezoekt Nederland frequent, en hij en Rigpa hebben hier een grote aanhang. De huidige voorzitter van Rigpa Nederland, Patricia Strooper, is tevens bestuurslid van de SBDL dat samen met ICT het komende bezoek van de dalai lama organiseert. Rigpa is lid van de BUN. Rigpa-penningmeester en oud-SBDL-bestuurslid Daniël Meerburg is tevens BUN-bestuurslid.

Onbespreekbaar

Onder deze omstandigheden is het onvoorstelbaar dat zijn Nederlandse entourage het onderwerp seksueel misbruik op de publicitaire agenda van de dalai lama zet. Gezien de samenstelling van het netwerk achter het bezoek, en de centrale rol die bestuurders van een organisatie zoals Rigpa daarin spelen, zou de beeldvorming waartoe dit onderwerp aanleiding kan geven, alle andere betrokken personen en organisaties ernstig kunnen schaden. Feitelijk maakt de verwevenheid het onderwerp dus onbespreekbaar.

Daaruit spreekt weinig bekommernis met de vrouwen die zich, al dan niet terecht, slachtoffer voelen van Tibetaanse geestelijken. Als seksueel contact tussen leraar en leerling volgens de boeddhistische leer in theorie geen taboe is, maar in de praktijk wel voor ‘uitvoeringsproblemen’ zorgt: moet dit dan geen punt van discussie zijn? Valt daaruit voor niemand iets te leren? Is de dalai lama niet bij uitstek degene die vragen daarover kan beoordelen en beantwoorden?

Het doet ook geen recht aan het feit dat seksueel misbruik door boeddhistische leraren van volwassenen en kinderen—ook in andere boeddhistische stromingen—de laatste jaren voortdurend aan de orde is. Bovendien miskent het dat het seksueel misbruik zelf maar een deel van het probleem is. Niet alleen het feitelijke misbruik maar ook de systemische factoren—machtsongelijkheid, afhankelijkheid en de kwetsbaarheid die therapeutische en vergelijkbare relaties kenmerkt—moeten onderwerp van gesprek zijn. Behoort dat niet bij uitstek tot het terrein van de secularisatie en educatie, het centrale thema van dit bezoek?

Over de rol die journalisten, politici en beleidsmakers kunnen spelen bij het agenderen van deze thematiek, hebben boeddhisten veel te leren. Zij zouden te rade kunnen gaan bij journalisten, onderzoekers en medewerkers van meldpunten die in contact staan met slachtoffers van seksueel misbruik binnen de rooms-katholieke kerk. De directe betrokkenheid en voorbeeldfunctie van een hoge geestelijke als de dalai lama zou in het bespreekbaar maken van dezelfde thematiek in boeddhistische kring het verschil kunnen maken.

Laatste kans?

Het komende bezoek van de dalai lama is in hoge mate vooraf geregisseerd. Zijn programma is overladen, er is weinig gelegenheid hem spontane vragen of diepgaande vervolgvragen te stellen.

Het is evident: als rechtgeaard scholasticus en als een van de hoogste boeddhistische geestelijken ter wereld heeft de dalai lama inhoudelijk veel meer in huis dan stereotype antwoorden op standaardvragen. Duidelijk is dat zelfs de beladen geschiedenis van operatie St. Circus uiteindelijk is opgetekend, en dat de dalai lama zich daarop ook laat aanspreken. Zijn reacties, en die van andere boeddhisten, op deze episode in de Tibetaanse geschiedenis is buitengewoon informatief, en leveren nieuw inzicht in de receptie van het Tibetaans boeddhisme in onze samenleving en cultuur.

Of journalisten, boeddhisten en belangstellenden daadwerkelijk erin zullen slagen de dalai lama tijdens zijn verblijf in Nederland heikele kwesties voor te leggen, moet worden betwijfeld. Vaak beschikken ze daarvoor over te weinig achtergrondinformatie, en zijn ze onvoldoende vertrouwd met zijn manier van denken en doen. Van de dalai lama’s Nederlandse entourage en boeddhistische netwerkmedia mag in dit opzicht niets worden verwacht. Hun taakopvatting is daarvoor te beperkt, de risico’s van negatieve beeldvorming voor hun eigen belangen te groot.

De cruciale vraag is, daarom, hoe—en door wie—de dalai lama ertoe kan worden bewogen tijdens het komende bezoek ook over actuele, relevante kwesties die de toekomst van de Nederlands boeddhistische gemeenschap bepalen, het achterste van zijn tong te laten zien. Mogelijk levert dit de laatste kans het hem zelf te vragen.