Richard Gere in Nederland: ‘Hoe kan één monnik China zo’n last bezorgen?’

Acteur Richard Gere is al 25 jaar betrokken bij Tibet en het Tibetaanse volk. In 2005 was Gere voorzitter van de International Campaign for Tibet (ICT). Hij sprak namens deze organisatie na de uitreiking van de Geuzenpenning 2005 een dankwoord uit. Een dag eerder gaf Gere een persconferentie onder overstelpende belangstelling van de media. Ik was daarbij aanwezig en stelde na afloop exclusief voor Vorm & Leegte (tegenwoordig BoeddhaMagazineenkele vragen.

Richard Gere (RG): ’De toekenning van de Geuzenpenning aan de ICT vormt voor ons een ongekende aansporing en getuigt bovendien van moed. Het is reuze makkelijk ons vertrouwelijk te laten weten dat we het goed doen, met woorden als “We staan achter je. We geloven in de Tibetaanse zaak.” Maar het is veel moeilijker om dat publiekelijk te doen, en dat gebeurt zelden. Wij streven onze idealen na door onder aanvoering van de dalai lama met hart en ziel ervan uit te gaan dat wij allen broeders en zusters zijn. Dat is pas revolutionair! Zo bezien hebben zowel de Chinezen als de Tibetanen alles te winnen. Daarin schuilt geen tegenspraak. Dit is wat ons van meet af aan bewogen heeft. De stichting Geuzenverzet 1940-1945 schenkt ons daar voor erkenning.

Ik moet steeds denken aan wat de dalai lama zei na afloop van een vertoning van Kundun, de prachtige film over zijn leven die Martin Scorsese gemaakt heeft. Omdat Zijne Heiligheid de film nog nooit gezien had, werd in New York een vertoning voor hem geregeld, en ik vroeg hem na afloop wat hij van de film vond. Hij verwees toen naar één van de laatste scènes, waarin we zien hoe de dalai lama bij het verlaten van Tibet afscheid neemt van zijn khampa strijders, de wilde krijgers te paard die hem uit handen van het Chinese leger hadden gered. In de wetenschap dat hij hen nooit meer zal zien draait hij zich om in de richting van India. Terwijl hij Tibet de rug toekeerde, vertelde hij, realiseerde hij zich dat hij nergens in de wereld vrienden had. Hij keek ons aan en zei: “Maar nu heb ik overal vrienden”.

Niemand van ons beoogt de Chinezen te schaden.

Wat goed is voor de Tibetanen is goed voor China, en wat goed is voor China is goed voor de rest van de wereld. Dat is het Tibetaanse experiment.

Mij doet het misschien nog wel het meeste pijn te zien hoe dringend de Chinezen er aan toe zijn opnieuw in contact te komen met hun eigen, verloren gegane cultuur. Het communisme heeft de eigen culturele en spirituele rijkdommen verwoest. Wij vormen geen zuiver politieke beweging; we zijn radicale voorvechters van het hart. Daarbij hebben we hulp nodig–jullie hulp. Jullie privé-gesprekken over Tibet moeten een openbare discussie worden. Uiteindelijk is ook China daarmee gediend. Misschien is dat nog wel de beste reden: de 1,3 miljard mensen daar moet verder leed bespaard blijven.’

‘Tal van culturen kennen sinds duizenden jaren allerlei vormen van verzet. We zijn blij dat wij een prijs ontvangen voor verzet dat uitgaat van geweldloosheid. Dat is blijvend. Zodra je een nobel doel bereikt hebt met nobele middelen–en geweldloosheid is volgens mij het meeste nobele middel dat er is–is het voorgoed afgelopen. Geweldloosheid is geen passieve aangelegenheid, het is actief. Het komt voort uit mededogen. Anderen doen ons kwaad, maar zijn daarom nog niet zelf het kwaad. Door geschillen geweldloos op te lossen, kunnen zowel de Chinese als de Tibetaanse cultuur gezuiverd worden. Slagen zij hierin dan is het klaar–er blijft niets liggen, ook niet voor over tien, vijftig, honderd of tweehonderd jaar. Daarom is geweldloosheid de meest nobele weg.

Waarom zouden we nalaten een cultuur te steunen waarin dit verankerd ligt? Laat ons dit tot norm verheffen, als de wijze waarop we met elkaar en de buitenwereld wensen om te gaan. Deze wijsheidscultuur mag niet ophouden te bestaan. Elk stelsel dat op enigerlei vorm van misbruik berust, zal verdwijnen. Wat blijft is louter datgene wat werkelijk uitgaat van onderlinge verbondenheid–jouw geluk is mijn geluk; jouw lijden is mijn lijden. Dit is de nalatenschap van de Tibetanen, en die mogen we niet laten verdwijnen.’

Rob Hogendoorn (RH): ‘Hoe zal er ooit sprake kunnen zijn van ware godsdienstvrijheid voor de Tibetanen zolang de Chinese leiders zo bang lijken te zijn voor een religieuze opleving in Tibet?’

RG: ’De Chinese leiders miskennen de situatie. Hoe zou het China kunnen schaden wanneer het de Tibetanen toestaat te gedijen binnen hun eigen cultuur, waarvan religie–mededogen, wijsheid, onderlinge verbondenheid, en geweldloosheid–de kern uitmaakt? Dat kan alleen als er iets aan China zelf mankeert. Hoe slaagt één boeddhistische monnik, de dalai lama, er in een heel land in beroering te brengen? Hoe kan één monnik, die nog nooit iets onaardigs over wie of wat dan ook heeft gezegd en die nog nooit gelogen heeft, China zo’n last bezorgen? Ze raken volkomen over hun toeren zodra hij naar Japan of Rusland reist, of les geeft in Amerika! Dat is bespottelijk! Het is de kracht van één man die de waarheid spreekt–de waarheid van liefde en mededogen, inzicht en geweldloosheid. Dat kan geen bedreiging voor China vormen, tenzij er iets mis is met China. Waarheid vormt alleen een bedreiging voor onwaarheid.

Het ontgaat de Chinezen wat de betekenis van deze religie is, en hun angst is het tegenovergestelde van wijsheid. Zodra China hen de ruimte geeft, krijgt het te maken met zes miljoen gelukkige en productieve Tibetanen, en zal het betere betrekkingen met de rest van de wereld kunnen onderhouden. Mensen zoals ik zouden nooit meer over mensenrechtenschendingen en andere kwesties hoeven beginnen. China heeft niets te verliezen.’

RH: ‘Donald Lopez is bang dat de Tibetaanse zaak geschaad wordt door de steun van westerse bekeerlingen die volharden in het geloof in Tibet als een paradijselijk Shangri-la. Deelt u zijn angst?’

RG: ‘De neiging tot romantiseren is duidelijk aanwezig. Niet alleen bij westerlingen trouwens, maar ook bij Tibetanen. Dit komt vaak voort uit de angst een cultuur te verliezen. Het lijkt alsof men hoopt het Tibet van voor de Chinese bezetting–het ‘oude Tibet’–ooit terug te zien. Sterker nog, dat romantische beeld raakt vermengd met nog oudere beelden van Tibet, uit de 16e of 17e eeuw bijvoorbeeld. Maar dat Tibet bestaat al lang niet meer.’

RH: ‘De Dalai Lama probeert de Tibetaanse ballingen te bewegen hun cultuur te behouden én te hervormen.’

RG: ‘Er bestaan voorbeelden van eeuwenoude culturen die zich dankzij hedendaagse gunstige economische omstandigheden toch hebben verdiept. Maar de Tibetanen staan in zekere zin op een tweesprong, want er bestaat een wereld van verschil tussen de Tibetanen in India en de vluchtelingen uit Tibet. Zij ontmoeten elkaar in India, maar tussen hen gaapt een enorme culturele kloof.’

RH: ‘Geven westerse boeddhisten de Tibetanen in Tibet voldoende steun?’

RG: ’Ook veel Tibetanen laten zich moeilijk tot actie aanzetten. De lama’s die ik spreek, noemen westerlingen hun betere studenten. Ze zijn zeer te spreken over hun ijver; ze maken aantekeningen, studeren hard, en spannen zich oprecht in om shunya of leegte te doorgronden.’

RH: ‘Maar vergeten soms de Tibetanen in Tibet.’

RG: ’Ik sprak enige tijd geleden met een lid van de Kashag, het Tibetaanse kabinet, en hij vroeg me wat zij zouden kunnen verbeteren. Ik zei hem: verbeter de communicatie met de Tibetanen in Tibet. Onze communicatie met hen is cruciaal. Zorg dat iedereen weet hoe zij werkelijk leven–wat ze moeten doen om overeind te blijven.’

Vorm & Leegte, Lente 2005, p. 28-30